4 juli 2018

column

Door Franky Ribbens

Nullijn

Terwijl de kranten vol staan over de te schrappen nieuws-programma’s bij de NPO vanwege bezuinigingen van 60 miljoen euro, lees ik dat rijksambtenaren zeven procent loonsverhoging krijgen omdat ze al zes jaar op de nullijn zitten. Hoewel dit niet per se communicerende vaten zijn, moest ik denken aan de inkomens van de scenaristen, die al sinds de afschaffing van de Hoco-tarieven in 2006 op de nullijn zitten. Twaalf jaar, dus.
 
Ruim zeven jaar heb ik als bestuurslid met veel genoegen mogen dienen bij het Netwerk Scenarioschrijvers en heb daardoor goed zicht kunnen krijgen op trends en signalen uit de sector. Vrijwel alle onvrede valt terug te voeren op de financiële positie van scenaristen, de belabberde onderhandelingspositie en de afhankelijkheid van een producent aangaande toegang tot de publieke middelen.
 
Met een jaarinkomen dat gemiddeld ver onder modaal ligt, blijft er weinig over voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering of een pensioenregeling, getuige diverse inkomensonderzoeken van de afgelopen jaren. Toch wordt er gemiddeld 45 uur per week met veel liefde gewerkt aan de (zweet)pareltjes die ons publiek moeten bekoren. Maar het doodsimpele feit dat de beloningen maar niet stijgen, maakt het wel verdomd moeilijk om meer tijd in kwaliteit te steken. Bijna alle scenaristen werken aan meerdere projecten tegelijk om aan hun omzet te komen.
 
En dan wat pareltjes, onder andere afkomstig van de door het Netwerk in het leven geroepen denktank, een waardevol initiatief om input uit de sector te krijgen. Het zijn voorbeelden van wat scenaristen in onderhandelingen van hun producent te horen kregen: “Ik doe alleen aan ’betalingen bij ondertekening contract’, bij catering en kleding.” Of: “Het Mediafonds hanteerde veel lagere afleveringshonoraria”. En deze: “Ik heb personeel in dienst. Jij niet.”
 
Noch de vergoedingen, noch de beperkte waardering (of zelfs maar erkenning) voor het werk dat scenaristen verzetten, staan in verhouding tot het belang van een scenario ten opzichte van het eindproduct. Zeker in een tijd waar de roep om kwaliteitscontent luider wordt en er steeds meer waardevermeerdering optreedt door lokale en internationale exploitatie op meerdere platformen.
 
Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zag in 2016 eindelijk de waarde van het Modelcontract in, maar de roep om minimumtarieven en modelovereenkomsten, resulteerde een code of conduct. Dit is een goed begin om het gemeenschappelijk belang van alle partijen in de sector te onderstrepen, maar het is geen Modelcontract, om over minimumtarieven nog maar te zwijgen.
 
De in 2006 door mededingingsproblemen in onbruik geraakte Hoco-tarieven worden vandaag de dag niet altijd gehaald, terwijl deze na 12 jaar toch wel met zo’n 20 procent geïndexeerd hadden mogen worden. Daarbij wordt er voor dat honorarium momenteel een uitgebreider pakket aan rechten overgedragen dan er toentertijd van de scenarist werd verlangd.
 
Het is hoog tijd dat er serieus werk gemaakt wordt van collectieve onderhandelingen met producenten, omroepen en exploitanten om tot Modelcontracten te komen, en de makers zijn niet de enigen die daar zo over denken. De Raad voor Cultuur heeft de minister ook geadviseerd om collectieve onderhandelingen voor zzp’ers in de creatieve sector uit de mededinging-sfeer te krijgen. We zien dan ook zowel het Netwerk als de DDG voor de audiovisuele sector (ook in Europees verband), als de Auteursbond voor de overige schrijvers en vertalers, hard werken om klaar te zijn als het er straks op aankomt om collectief minimumtarieven uit te onderhandelen voor de creatieve sector.
 
Weg met die nullijn! Hopelijk constateren mijn opvolgers bij het Netwerk over een tijd mooiere trends in de sector en zijn de geluiden vanuit de denktank dan veranderd.

,