2 september 2019

de conceptie

Door Bart Juttmann

'De kleine blonde dood', de verfilming van een toch niet zo autobiografisch verhaal

Het ontstaan van een scenario is vaak een spannend verhaal op zich, vol bizarre wendingen en conflicten. Dit keer in De Conceptie: hoe Jean van de Velde een mystificatie van Boudewijn Büch omzette in een persoonlijk verhaal.

In 1985 publiceerde Boudewijn Büch De kleine blonde dood. De roman ging over een jonge dichter, die terugkijkt op zijn moeizame verhouding met zijn tirannieke vader, wat wordt gespiegeld met het wrede einde van de dichters eigen ervaring met het ouderschap als zijn zoontje Micky op vijfjarige leeftijd sterft. De hoofdfiguur heette Boudewijn. In interviews bevestigde Büch nadrukkelijk dat het verhaal autobiografisch was. Producent Rob Houwer zag in dit boek potentie voor een film in de geest van Turks Fruit, kocht de rechten en vroeg Jean van de Velde voor scenario en regie.

Van de Velde zocht contact met Büch en al gauw viel het hem op dat de schrijver ontwijkende antwoorden gaf op vragen over zijn overleden zoontje. Büch wilde de regisseur niet het graf van het kind laten zien of hem in contact brengen met de moeder. Nu had Büch al een sluimerende reputatie als fabulant, die verdraaide of onware verhalen over zichzelf de wereld in hielp, waar hij op den duur zelf in leek te gaan geloven. Langzaam rees bij Van de Velde de vraag: is dit verhaal wel zo autobiografisch als de schrijver beweert?

Na Büchs dood in 2002 werd breed bekend dat alles was verzonnen. Er was wel een jongetje geweest, maar dat was niet zijn kind en dat was ook niet gestorven. Het betrof het zoontje van een bevriend echtpaar, met wie hij weleens een uitstapje maakte. Aanleiding voor de bizarre leugen was een hartstochtelijke verhouding van Büch met een getrouwde vrouw, die hij manipuleerde met ontroerende verhalen over zijn zoontje. Toen ze de affaire wilde beëindigen, vertelde hij dat het kind was overleden, wat haar (tijdelijk) bij hem terugbracht en hem ook redde uit een niet vol te houden misleiding. Volgens vrienden gedroeg Büch zich jarenlang alsof hij rouwde om het verlies van zijn kind. Deze misleiding ging blijkbaar zo ver dat hij er een boek over schreef. 



Terug naar 1992. Het besef dat er geen waarheid was waar hij rekening mee moest houden, kwam als een bevrijding voor Van de Velde. Om te beginnen zat hij nu niet meer vast aan de persoon Boudewijn Büch, wiens naam in het script werd veranderd in Valentijn. Bovendien kon hij zich nu concentreren op waar volgens hem de kwaliteiten van het boek lagen en weggooien wat niet nuttig was. Een plotlijn die in Büchs verhaal nauwelijks aan de orde kwam, kreeg de overhand.

Van de Velde was net zelf vader geworden en was getroffen door de enorme emotionele verandering die dat met zich meebracht. Zo werd De kleine blonde dood een verhaal over een jonge dichter en hedonistische niksnut die erop los leeft, een zoon verwekt bij een vrouw die een manisch-depressieve alcoholist blijkt te zijn, waardoor hij tegen wil en dank een verantwoordelijke vader wordt.

Ruim de helft van het boek gaat over de jeugd van de ik-persoon. Dit werd in de film gereduceerd tot de eerste tien minuten en diende één doel. De getraumatiseerde vader ramt er bij zijn zoon in dat de enige manier om nooit te worden gekwetst, je nooit openstellen voor liefde is. Dit is precies wat Valentijn overkomt: doordat hij veel van Micky gaat houden, maakt hij zich kwetsbaar voor het grote verlies als Micky in een onomkeerbare coma belandt.

Dit leidde tot meest dramatische ingreep van de scenarist: de euthanasie. Valentijn neemt de ultieme verantwoordelijkheid van het vaderschap op zich door dit zelf te doen. Dit idee kwam van Houwer. Aanvankelijk wist Van de Velde zich niet zo goed raad met deze suggestie, tot hij de juiste zin vond waarmee dit gebeurt: “Ik heb hem zelf gemaakt. Mag ik hem dan ook zelf afmaken!” Daarmee werd het verhaal over leven en liefde, ouderschap en de dood rond.



Voor de casting van Valentijn maakte Van de Velde de gewaagde stap om GTST-acteur Antonie Kamerling te casten. Dit bleek een gouden greep. Hij had vonkende chemie met zijn tienjarige filmzoontje Olivier Tuinier en maakte met zijn rol de sprong van soap naar film voor velen na hem mogelijk. Er was nog de vrees dat Büchs mystificatie, die in sommige kringen al rondzong, zou uitlopen in een PR-nachtmerrie voor de film. Dit gebeurde niet. De kleine blonde dood werd een groot succes en won het Gouden Kalf voor Beste Film. Büch zelf wilde de film nooit zien.

Bronnen:

  • Jean van de Velde
  • Eva Rovers, Boud: Het verzameld leven van Boudewijn Büch, Prometheus (2016)

,