28 maart 2018

achter de schermen

Door Marc Veerkamp

Animatiefilm schrijven in The Short Weekend

Binnen twee dagen een korte animatiefilm schrijven. Dat was het doel van The Short Weekend, waarin vorige maand acht animatoren en acht scenaristen aan de slag gingen. Een verslag van deze bijeenkomst, die was georganiseerd door het Netwerk Scenarioschrijvers en de vakvereniging voor animatiemakers DAMD

Een dansende tulp. Zomaar een beeld dat oppompte in het brein van schrijfveteraan Jan Riem. Ruim veertig jaar kon hij zijn vaak absurde invallen kwijt bij talloze jeugd- en comedyseries, zoals de Stratenmaker op zee-show. Maar een beeld als dit leent zich toch het beste voor animatie. Als het mogelijk is om een eend in een matrozenpak te hijsen, een rat te laten kokkerellen of een rode schildpad te laten veranderen in een vrouw, dan is het geen punt om een bloem te laten dansen. Of toch?
 
Riem legt zijn hersenspinsel voor aan het groepje waarmee hij tijdens The Short Weekend aan tafel is komen te zitten: schrijfster Marie Kiebert (co-scenarist 100% Coco) en de animatoren Michael Veerman (studio Reanimation) en Jeroen Hoekstra (Polska Warrior). Onder leiding van coach Remco Polman zoeken ze naar een geschikt idee om een heel weekend aan te werken. Een dansende tulp is misschien iets te lieflijk, maar het beeld prikkelt wel. Kiebert hoopte van tevoren om iets te maken “dat alleen maar kan in animatie. Als animatie te realistisch wordt, haak ik zelf altijd af.” Een plant met menselijke trekjes, daar kan ze wel wat mee.
 
Maar hoe antropomorfisch wil je zo’n karakter maken?  Blijft het bij een realistisch getekende plant met enkele menselijke trekjes? Of kies je voor een pratende plant met kleren aan? In animatie lokt iedere mogelijkheid weer andere mogelijkheden uit. Jan Riem vindt het geen punt om zijn idee los te laten en al snel wordt er gepraat over hoe het is om door een bos te lopen. De natuur ziet er altijd prachtig uit, maar je hebt als argeloze wandelaar geen benul van wat er om je heen gebeurt. Misschien bestrijden de bomen elkaar wel onder de grond, met al hun geheimzinnige, kronkelige wortels. En nieuw idee ontstaat: een oorlog in het bos, die zich aan mensenogen onttrekt. Maar die situatie is iets te groot voor een kort filmpje. Een oorlog in een vaas bloemen, dat voelt beter. Het idee transformeert tot een verhaaltje: een bloemenvaas staat in een straal licht, maar de meeste bloemen staan in het donker. Ze verdringen zich om zon op te vangen en dit loopt uit op strijd.
 
Alle bloemen krijgen conflicterende menselijke trekjes mee: er is een dikke pioenroos die al het licht voor zichzelf opeist, de narcis is natuurlijk narcistisch, en er is ook een bezorgde moeder Iris. De schrijvers houden de structuur in de gaten, maar Kiebert is blij dat Hoekstra en Zeeman alle ideeën meteen schetsen. “Als zij de situaties tekenen die wij bedenken, zie je meteen of het werkt of niet. Als je ziet dat bloemen kunnen vechten, durf je ook verder te fantaseren. Soms komen animatoren met vondsten waarvan ik denk: ‘O, is dat ook mogelijk?’”  De film in wording is hier te bekijken.

Een verhaal in één oogopslag
 
Heel veel is mogelijk in animatie en je kunt een bos bloemen laten vechten, maar zelfs fantasie vraagt soms om beteugeling, alleen al praktisch. Lage budgetten en tijdgebrek beperken ook deze tak van filmmaken. Daan Velsink maakt deel uit van Frame Order, dat bij voorkeur het hele creatieve proces in handen houdt, van script tot animatie. Ook al wordt in de films van dit Utrechtse collectief weleens een ingeslikt bingoballetje uit een stomazak gevist of duikt het monster van Loch Ness op tijdens een vakantietrip, de verhalen in deze producties hebben een innerlijke logica en een strakke opbouw.

Hoe je zo’n kort, visueel verteld verhaal maakt, laat Velsink zien aan een van de The Short-groepen die hij begeleidt, de animatoren Agnes Swart en Dana Hamers en scenaristen Sylvia Bouwmeester en Lianne Damen. Hun plan: een korte film waarin Nederlanders en vluchtelingen op een camping letterlijk tegenover elkaar komen te staan. Damen ziet duidelijk verschillen tussen de twee beroepsgroepen: “Wij denken meer in structuren. Agnes en Dana vliegen er meteen in, beginnen te tekenen, spuien ideeën. Leuk en verfrissend, alleen hoe breng je het allemaal bij elkaar?”
 
Nou, bijvoorbeeld met een prikbord. Velsink raadt de groep aan om alle bepalende handelingen op kaartjes te schrijven. Door al deze beats in de juiste volgorde te prikken, ontstaat er snel overzicht. “Je legt het begin, midden en eind vast in heldere beelden.” Scenaristen zijn bekender met dit gebruik dan animatiemakers, die zich “scherper op beeld” richten, volgens Damen. Op de kaartjes voor haar project staan zinnen als “kippen voeren met etensresten”, “seks in de tent” en “ontploffing”. Nu de piketpaaltjes staan, wordt het verhaal verder uitgewerkt in tekst en tekeningen. Een eyeopener voor Damen, die afgaande op haar zeer visuele Kort! Sync gewend is om te denken in beelden. “Al doe je dat eigenlijk altijd, dit weekend werkten we wel zeer helder vanuit het beeld naar een nauwkeurige formulering.”
 
Minder taal en toch meer woorden
 
Schrijver en acteur Casper Oudshoorn doet tijdens The Short Weekend twee ontdekkingen. De eerste: je moet in een animatiescript erg veel omschrijven. Samen met animatoren Quentin Haberham en Carmel Ben Ami werkt hij een idee uit dat is gebaseerd op ervaringen van de tweede schrijver in het team, Gita Hacham. Het verhaal gaat over een meisje met dyslexie, dat een lastige zin op het bord moet schrijven. Ze krijgt hierbij steun van een denkbeeldige leeuwin, die haar probleem niet kan wegnemen, maar haar wel moreel steunt.
Hoe poëtisch de uitwerking ook is, al snel komen praktische vragen bovendrijven. De film speelt zich af in een klaslokaal, maar hoe ziet dat eruit? Ruim of benauwd? Donker of licht? Ouderwets of modern? “Normaal schrijf je op: ‘Ext. bos’ of ‘Ext. In de tuin’”, vertelt Oudshoorn. “Bij zo’n tekenfilm moet je helder beschrijven wat je voor je ziet.”
 
Het scenario heeft in animatie vaak een belangrijke functie, maar wordt anders ingezet dan bij live action. Na voltooiing van het schrijfproces wordt het script omgezet in een animatic. Een storyboarder maakt dan een ruwe, schetsmatige versie van het materiaal, waarin de personages er vaak nog uitzien als stokpoppetjes. Vaak bewegen de beelden al een beetje en er zit (tijdelijk) geluid onder. Op die manier worden verhaal en timing getest, want de productie van animatie is kostbaar.
 
Verder wordt het script vooral gebruikt bij het inspreken van de dialogen. Maar de artiesten die de uiteindelijke film maken, baseren zich niet direct op de geschreven tekst, maar op de animatic en de geluidsband. Wie het script er weer bij pakt, gaat volgens Velsink “terug in de productiepijplijn”. De scenarist kan er daardoor niet van uitgaan dat elementen die globaal op papier staan automatisch worden gevisualiseerd. Duidelijke beschrijvingen zijn cruciaal. Bij sommige producties spelen beeld, tempo en ritme zelfs zo’n essentiële rol, dat de storyboarders niet eens een script krijgen, maar een minimale outline. Bij deze zogenoemde board driven producties bedenken zijzelf al tekenend karakters, grappen en dialogen.
 
Het is alsof er twee smaken zijn: zo weinig mogelijk tekst of juist een heel strak geformuleerd scenario. In het laatste geval hoeft dat niet per se te ontaarden in lange lappen tekst. “Zo iemand als Daan Velsink kan heel goed kort formuleren”, zegt Oudshoorn. “Maar als ik het zelf doe, moet ik er toch langer over nadenken dan wanneer ik voor Sesamstraat een scène schrijf met Aart, Pino en Purk. Bij zo’n programma wordt veel ingevuld door de acteurs en de regisseur verzint hoe het eruit moet zien. Ik schrijf alleen wat ze moeten zeggen.” 

En hiermee arriveert hij bij zijn tweede eyeopener. Aanvankelijk meldde Oudshoorn zich aan omdat het hem interessant leek om te schrijven voor animatie en games. “Maar door die workshop kom ik erachter dat mijn creativiteit een hele andere richting op gaat. Ik ben veel meer gericht op tekst, dialogen, schrijf meer character driven dan plot driven. Daan was een hele goeie coach, maar ik was wel blij dat we ook werden begeleid door Jacqueline Epskamp. Die had het wat uitgebreider over karakters en spanningsbogen. Uiteindelijk interesseert dat me toch meer dan hoe een steen naar beneden komt ofzo. Ik vind de verschillen tussen animatie en live action heel groot.”
 
Begin met het einde
 
Schrijver Bas van Peijpe is juist van mening dat “animatoren en schrijvers vrij snel dezelfde taal spreken. Ook al kom je uit een andere discipline, het creatieve proces begint op dezelfde manier. Je denkt eerst breed, roept gekke dingen, dan moet je beargumenteren waarom iets leuk is of niet. Het is niet ingewikkeld ons samen aan de slag te gaan. Als je een goed idee hebt, kun je redelijk snel door stapelen.”
 
Dat blijkt ook tijdens de werksesssie, waar hij aan tafel zit met schrijver Maarten Koopman en de animatoren Sander Lipmann en Nanda van Dijk. Die laatste omschrijft haar stijl als “schattig”, maar wil vandaag eens een andere, rauwere kant laten zien. Ze laat een voorbeeld zien van haar werk: inderdaad een zéér schattig kuikentje. Dit beeld zet de radertjes in beweging: wat als het donzige diertje auditie doet voor een commercial? Koopman weet al een titel: Chickflick! De kop is eraf, maar hoe nu verder? Lipmann vertelt dat hij vaak strandt als hij bezig is met een verhaal. Ideeën komen wel, maar het is hondsmoeilijk om een einde te verzinnen.
 
Van Peijpe heeft een tip: begin met het einde. Zelf schrijft hij veel sketches voor programma’s als Klokhuis en Studio Snugger. Zijn teksten eindigen altijd met een pointe. “Daarbij werk ik vanuit het eindbeeld. Dat heb ik vaak als eerste. Je zet toch eerst een structuur op van A tot Z.” Een eyeopener voor Lipmann. Kort daarop oppert hij een idee dat de boel in een stroomversnelling brengt. “Wat als je een hele rij schattige kuikentjes ziet en er zit één gewone tussen?” Dit doodgewone kuikentje vreest geen schijn van kans te hebben tegenover zoveel schattigheid. Het diertje bouwt zich gaandeweg om tot een cliché troeteldiertje, maar de reclamecrew zoekt juist naar een gewoon kuikentje.
 
Nu kraakhelder is waar het verhaal naar opbouwt, verzint het viertal alle pijnlijke pogingen die het kuiken ondergaat om schattig te worden. De structuur zorgt ervoor dat het gegeven niet ontaardt in een willekeurige grappenparade, maar een verhaal vormt. En uit het tempo en het plezier waarin de groep de meest sadistische situaties verzint, blijkt inderdaad hoezeer animatoren en schrijvers elkaars taal kunnen spreken.
 

,