26 september 2018

achtergrond

Door Gertie Schouten

Geschillencommissie en Soof 2: erkenning voor de makers

De film Soof 2 was in 2016 én 2017 de best bezochte Nederlandse film en trok zo’n 900.000 bioscoopbezoekers. Met een opbrengst van bijna acht miljoen euro was het ook commercieel een groot succes voor veel partijen. Zo niet voor scenarist Marjolein Beumer en regisseur Esmé Lammers. Ze stapten naar de Geschillencommissie Auteurscontractenrecht en dwongen een hogere vergoeding af. En belangrijker: ze kregen erkenning dat makers niet eerlijk meedelen. Is deze arbitrageprocedure ook een goede optie voor andere makers?

Soof 1 had 786.000 bezoekers getrokken en daar gingen we met Soof 2 ver overheen. Iedereen was blij met het succes en feliciteerde elkaar”, vertelt Esmé Lammers. “Maar al snel beseften we dat wij er financieel wel heel erg mager vanaf kwamen. Van de 7,2 miljoen die de film in de eerste periode in de bioscoop opbracht ontvingen Marjolein en ik elk een bedrag tussen de 10- en 20-duizend euro.

Het was 5 respectievelijk 7 procent van de netto producentenopbrengst en conform het contract, maar de andere partijen ontvingen bedragen die in de miljoenen liepen. En de producent kreeg meer dan een ton. Dat is ook niet heel veel, maar daarnaast zijn er belangrijke bonusregelingen voor producenten. Ze kunnen op basis van bewezen succes automatisch een beroep doen op de slatefunding-regeling van het Filmfonds voor het ontwikkelen van scenario’s en ontvingen voor Soof 2 ook via de suppletieregeling (die inmiddels is afgeschaft) een bedrag van 658.000 euro voor het maken van nieuwe films. Bovendien mochten ze de helft van het bedrag dat ze terugbetaalden aan het Filmfonds, zo’n 350.000 euro (zogenoemde revolverende middelen), besteden aan nieuwe projecten. En dan kregen ze via het Abraham Tuschinskifonds nog 111.000 euro (ook deze regeling is inmiddels veranderd).

Al met al hebben de producenten dus een mooi winstbedrag aan Soof 2 overgehouden én kregen ze ruim een miljoen euro voor het maken van nieuwe films. Wij hadden dat als scenarist of regisseur allemaal niet. Toen we bij het Filmfonds aanklopten en een moreel appel deden om ons bijvoorbeeld 10 procent van de revolverende middelen en van het suppletiebedrag toe te kennen, zodat we ieder een nieuw scenario zouden kunnen schrijven, werd dat zonder pardon afgewezen”, aldus Lammers. “We mochten de Vrijplaatsregeling proberen (maximaal 15.000 euro voor het ontwikkelen van een scenario, waarvoor je eerst een plan moet indienen), zonder garantie dat we daarvoor ook daadwerkelijk in aanmerking zouden komen. De producenten lieten intussen weten dat ze hun geld al aan andere projecten hadden besteed. Wij vonden het zo onrechtvaardig dat we iets wilden doen, maar wat?”

Bestsellerbepaling

Mede door advocaten van Boekx Advocaten kwam de Geschillencommissie Auteurscontractenrecht in beeld (zie kader onderaan het artikel), een arbitrageprocedure die in 2015 in het leven werd geroepen als uitvloeisel van de nieuwe wet Auteurscontractenrecht.

In oktober 2017 dienden Lammers en scenarist Marjolein Beumer hun klachten in, met een beroep op de zogeheten bestsellerbepaling, die bepaalt dat de commissie onder andere kan oordelen over ‘het recht op een aanvullende billijke vergoeding van de maker indien de overeengekomen vergoeding gelet op de wederzijdse prestaties een ernstige onevenredigheid vertoont in verhouding tot de opbrengst van de exploitatie van het werk’. Het waren de eerste twee zaken voor de commissie.

De procedure is erop gericht om de partijen tot elkaar te brengen, dus de klager moet altijd eerst proberen zelf tot een schikking te komen. Lukt dat niet, dan benoemt de geschillencommissie een deskundige, die een adviesrapport opstelt en ook altijd kijkt of een onderlinge oplossing alsnog mogelijk is. Is dat niet zo, dan volgt een hoorzitting waarbij de partijen hun verhaal kunnen doen en de driekoppige geschillencommissie (één rechter/voorzitter en twee vertegenwoordigers van resp. het Platform Makers en het Platform Creatieve Media Industrie) vragen kan stellen om tot een uitspraak te komen.


Lammers (foto): “De hoorzitting, in maart van dit jaar, was emotioneel. Want dan zit je opeens tegenover degenen met wie je zo intensief hebt samengewerkt. En van wie ik ook echt geloof dat ze het netjes probeerden te doen. Het is sowieso al heel tof dat de producenten (Keyfilm en Millstreet, gs) zich hebben geregistreerd bij de Geschillencommissie. Want dat is een belangrijke voorwaarde: de exploitant moet meewerken. Meldt hij zich niet aan, dan kan het geschil niet worden behandeld.”

Beumer vindt het “verdrietig dat je zo tegenover elkaar komt te zitten terwijl je samen zoiets goeds hebt gemaakt. Er is een gapend gat tussen de creatieve en de zakelijke kant van films maken in Nederland. In het systeem zit een grote denkfout ingebakken. Het zeer wezenlijke aandeel van ons, de makers, wordt genegeerd. Ik vind het ongelofelijk hoe het Filmfonds, en de politiek trouwens ook, daarin meegaat. Bij de eerste toekenning van subsidies door het Fonds gaat het om het scenario, de visie van de regisseur en het plan van aanpak van de producent. Het is een gelijkwaardige driehoek. Maar bij alles wat daarna gebeurt doen we niet meer mee. En als we daar dingen over willen laten vastleggen in ons contract wordt ons dat lastig gemaakt.”

Bevestiging

Uiteindelijk ontvingen scenarist en regisseur 18.000 en 25.000 euro aan royalty’s, en dat was het dan.  Totdat eind juli de uitspraak van de geschillencommissie volgde, die oordeelde dat de royalty’s voor Beumer en Lammers van 5 en 7 procent moesten worden verhoogd naar 10 en 12 procent. Het belangrijkste aan de uitspraak vinden beiden echter dat de commissie de grote rol van scenaristen en regisseurs bevestigt en oordeelt dat die naar behoren beloond moet worden. (paragraaf 6.4.8. in zowel de uitspraak over Beumer als in die over Lammers): ‘Wel kan worden vastgesteld dat de rol van de maker (…) in de totstandkoming van de film zodanig essentieel is, dat daarmee voldoende vast staat dat de maker ook een essentiële bijdrage heeft geleverd aan het succes van de film. (…) Dat de maker 5% van de het daarvoor beschikbare bedrag ontvangt als royaltyvergoeding tegenover een percentage van 50% als ‘producentenopbrengst’ voor de producenten, kan vanwege de essentiële rol waarin de maker als scenarioschrijver heeft bijgedragen aan het succes van de film, naar het oordeel van de commissie als een ernstige onevenredigheid worden beschouwd. (…)’

Een ander opmerkelijk punt, wijst Esmé Lammers, is het begrip van de commissie voor de klacht dat producenten na een succes automatisch kunnen beschikken over Filmfondsgelden voor nieuwe projecten, maar scenaristen en regisseurs niet (6.4.7.): ‘De commissie kan zich voorstellen dat het voor de maker onredelijk voorkomt dat zij deze investeringsmogelijkheid niet heeft, terwijl zij ook een essentieel onderdeel is geweest van het succes dat de film heeft gekend, maar voor het verwerven van een eigen aanspraak op een deel van revolverende middelen zou de maker zich tot het Filmfonds zelf moeten wenden.’

Lammers: “Vanuit ondernemersperspectief is misschien voorstelbaar dat producenten en exploitanten ons proberen af te schepen, maar dat het Filmfonds daar een schepje bovenop doet, maakt het buiten proportie. Dit kan toch niet de bedoeling van filmbeleid zijn?”


Beumer (foto): “Dit gaat over geld, natuurlijk, maar het gaat ons toch echt in de allereerste plaats om het principe dat je als makers kunt groeien in je werk. Succes moet betekenen dat je een stap kunt zetten. In Nederland is dat niet zo. Wij staan steeds weer in de rij bij het loket in de hoop dat iemand met ons verder wil. Terwijl ik ervan overtuigd ben dat het de film in Nederland heel erg goed zou doen als er meer ruimte was voor autonome ontwikkeling van ideeën.”

Beperkt

Hoewel de zaak van Soof 2 dus in het voordeel van de makers is beslist, maakt de uitspraak ook duidelijk hoe ondoorzichtig de zakelijke kant van filmmaken is. Niemand weet precies wie wat verdient, dus het eerlijk delen van de winst is alleen daarom al onmogelijk. Of zoals de geschillencommissie dat formuleert (6.4.4.): ‘Om de winsten, kosten en investeringen in de gehele keten te kennen, zou inzicht nodig zijn in de financiën van met name de distributeur en de verschillende bioscoopexploitanten. De commissie stelt vast dat deze gegevens niet bij haar bekend zijn en acht ook aannemelijk dat de producenten deze gegevens niet van deze partijen zullen verkrijgen, omdat dit concurrentiegevoelige informatie betreft.’

In de Soof 2-zaak richt de commissie zich daarom uit arren moede uitsluitend op de verdeling van de royalty’s tussen producent en scenarist/regisseur, terwijl duidelijk is dat er allerlei afspraken bestaan tussen producent, financiers, (bioscoop)exploitanten, distributeurs e.d. waar de maker niet van meeprofiteert. Lammers: “Distributeurs hebben met Soof 2 naast hun investering en de kosten meer dan een miljoen verdiend aan de film. Bioscopen hebben bruto 4,5 miljoen ontvangen! Hoeveel kosten ze hebben weten we niet, maar het is duidelijk dat ze hiermee winst moeten kunnen maken.”

Een interessant punt is de royaltyverdeling waartoe de geschillencommissie komt: 10 procent van de producentenwinst voor de scenarist, 12 voor de regisseur, iets wat wordt toegelicht in de uitspraak: ‘Voor een verdere verhoging ziet de commissie geen aanleiding, waartoe wordt meegewogen de omstandigheid dat het initiatief van de film is uitgegaan van de producenten, dat er meer makers aan de film hebben meegewerkt en dat het hier gaat om een vervolgfilm, zodat de maker als scenarioschrijver voor een deel gebonden was aan de eerdere film en het geen geheel vrije creatieve invulling betreft. (…)’ Je kunt het daar mee eens zijn of niet - Beumer heeft ook het idee en het script geleverd voor Soof 1, maar de commissie zegt hiermee impliciet dat in andere situaties hogere percentages goed voorstelbaar zijn.

Luisteren

Nu de Geschillencommissie Auteurscontractenrecht voor het eerst in actie is gekomen, hopen Lammers en Beumer dat meer makers gebruik gaan maken van de procedure. De commissie is niet alleen bevoegd op basis van de bestsellerbepaling, maar kan ook oordelen in geschillen over het recht op een billijke exploitatievergoeding, en bijvoorbeeld in gevallen waar een exploitatievorm pas is ontstaan nadat een contract is gesloten. Het kost 150 euro (exclusief btw) en de procedure is behoorlijk snel. Beumer: “Het is eigenlijk heel bijzonder. Er wordt een grondig onderzoeksrapport opgesteld, een professionele rechter is voorzitter, alle partijen krijgen ruim spreektijd en iedereen wordt gedwongen rustig naar elkaar te luisteren.”

Maar helaas, er zijn beren op de weg. Met name het feit dat de Nederlandse filmwereld zo klein is dat veel makers waarschijnlijk liever niet als lastpak te boek willen staan en de confrontatie mijden, al kun je in principe ook anoniem een klacht indienen bij de commissie (of je klacht laten indienen door een belangenvereniging). Lammers, die overigens al jaren actief is om de positie van makers te verbeteren, onder meer met de website filmzaken.com, vindt het de laatste tijd wat werk betreft opvallend stil. “Ik verwacht ook niet dat de projecten die ik met de producenten zou doen nog doorgaan.”

Een belangrijk euvel is verder de al genoemde vrijwilligheid van de arbitrageprocedure. Dit speelt ook op andere terreinen waar de Geschillencommissie Auteurscontractenrecht in principe actief kan zijn. De Persgroep maakte eind juli duidelijk dat ze niet van plan is zich aan te melden en blokkeert daarmee een gang van (foto)journalisten naar de commissie. Zelfs de publieke omroepen weigeren zich aan te sluiten, een opstelling waarover minister Sander Dekker in juni, in een brief ter evaluatie van de wet Auteurscontractenrecht, zijn teleurstelling uitsprak. “In het kabinetsstandpunt inzake de evaluatie van de wet zal worden bezien of het nodig is om en, zo ja, hoe omroepen kunnen worden bewogen zich aan te sluiten.”



De overwinning bij de geschillencommissie heeft de twee maaksters niet alleen positieve reacties opgeleverd. Beumer: “Een paar mensen hebben me wel gefeliciteerd. Maar ik heb ook zure opmerkingen gekregen, dat het hierdoor nog moeilijker wordt om contracten met producenten te sluiten bijvoorbeeld. Het geeft denk ik wel aan hoe weinig ruimte scenaristen hebben om voor hun rechten op te komen.”
Esmé Lammers krijgt regelmatig te horen dat de financiering van films in Nederland in gevaar komt als makers te veel eisen stellen. “Dat wordt al jaren gezegd. De ene keer doen we te moeilijk als het gaat om makersvergoedingen voor kabel- en VOD-exploitatie, de laatste tijd hoor ik dat we een stoorzender zijn bij initiatieven om heffingen te gaan vragen aan platforms als Netflix, die in een nationaal AV-fonds terecht moeten komen. Waarom moet het AV-fonds gefinancierd worden met makersvergoedingen? Zonder enig signaal, laat staan een garantie, dat het in zo’n AV-fonds wél goed geregeld wordt?”

Vijf procent extra van de producentenopbrengst is voorlopig het meest tastbare resultaat van de gang naar de Geschillencommissie Auteurscontractenrecht. Het geld staat nog niet op de rekening. Keyfilm en Millstreet hebben namelijk drie maanden de tijd, tot 27 oktober, om de uitspraak van de commissie alsnog aan de rechter voor te leggen. Het is niet duidelijk of ze van plan zijn dat te doen. Keyfilm laat Plot slechts weten dat het ‘voor ons nog te vroeg [is] een reactie te geven’.

Ook het Filmfonds wilde niet reageren op de Soof 2-uitspraak, maar gaat de verenigingen van scenaristen/regisseurs en producenten op korte termijn uitnodigen om de zaken door te spreken.

De Geschillencommissie Auteurscontractenrecht

De Geschillencommissie Auteurscontractenrecht is opgericht als uitvloeisel van de Wet Auteurscontractenrecht van 2015 (art 25g).

De commissie is ondergebracht bij ‘De Geschillencommissie’, een organisatie die sinds 1970 bestaat, zetelt in Den Haag en waarin de Stichting Geschillencommissies voor Consumentenzaken (SGC) en de Stichting Geschillencommissies voor Beroep en Bedrijf (SGB) zijn ondergebracht. Onder hun paraplu opereren enkele tientallen geschillencommissies, voor de advocatuur, zorg, makelaardij, warmtelevering en rentederivaten - om er een aantal te noemen. En dus ook die voor het Auteurscontractenrecht.

In deze brochure omschrijft de commissie haar doel: het bieden van ‘een eenvoudige, efficiënte en goedkope procedure’ om als auteur of uitvoerend kunstenaar, een bindende uitspraak te krijgen in een geschil met een uitgever of producent over een exploitatieovereenkomst. De kosten, afgezien van het klachtengeld van 150 euro, worden collectief gefinancierd door de Federatie Auteursrechtbelangen vanuit collectief voor rechthebbenden geïnde gelden.

De commissie kan geschillen behandelen over:
a. het recht op billijke vergoeding van de maker voor de verlening van een exploitatiebevoegdheid (op grond van artikel 25c lid 1 Auteurswet);
b. het recht op een aanvullende billijke vergoeding indien de maker exploitatiebevoegdheden heeft verleend ten aanzien van een exploitatie op een ten tijde van sluiting van de overeenkomst nog onbekende wijze en de exploitant gaat hiertoe over (op grond van artikel 25c lid 6 Auteurswet);
c. het recht op een aanvullende billijke vergoeding van de maker indien de overeengekomen vergoeding gelet op de wederzijdse prestaties een ernstige onevenredigheid vertoont in verhouding tot de opbrengst van de exploitatie van het werk (bestsellerbepaling)( (op grond van artikel 25d Auteurswet);
d. het recht op een billijke vergoeding van de maker of uitvoerend kunstenaar voor de overdracht van rechten voor en de exploitatie van een filmwerk, zoals een film-, video, of televisieproductie (op grond van artikel 45 lid 1 Auteurswet).

 

,