21 november 2016

Veelschrijver Tijs van Marle: ‘Ik geloof in positiviteit’

Door Gertie Schouten

Twee speelfilms per jaar, of meer. Het valt onmiddellijk op bij het bekijken van het werk van scenarist Tijs van Marle (40): zijn enorme productiesnelheid. Alleen al dit najaar zijn er drie premières. In oktober kwam Meesterspion in de bioscoop, op 24 november de muziekfilm De zevende hemel en begin december volgt Mees Kees langs de lijn, de vierde boekverfilming rond de sympathieke stagiaire Kees, zijn klas en de strenge directrice Dreus.

Wie Van Marles IMDB-pagina bekijkt, ziet dat het tempo er al jaren inzit. Sinds zijn afstuderen aan de Filmacademie in 2002, heeft hij 32 bioscoop- en tv-films en -series (mede) geschreven. Het is een mix van lichte films voor een groot publiek en jeugdfilms, en klein, persoonlijker werk. Verliefd op Ibiza, Zombibi, Ernst, Bobbie en de geslepen Onix, Ernst & Bobbie en 'Het geheim van de Monta Rossa', Spion van Oranje, de vier Mees Kees-films, Dummie de mummie, Dummie de mummie en de sfinx van Shakaba, Van God Los, De co-assistent, Café de wereld, Doctor Cheezy, Body Language, Bouwdorp en Bon Voyage, om maar wat voorbeelden te geven. In de pijplijn zitten Dummie de mummie en de tombe van Achnetoet, en de films Rafael - over een Tunesische vluchteling die naar zijn Nederlandse geliefde probeert te komen, Taal is zeg maar echt mijn ding – gebaseerd op het boek van Paulien Cornelisse, en Avec Piscine, een kleine crossover film na twee tv-drama’s, de eerste bioscoopfilm die hij hoopt te maken met zijn studiegenote van de Filmacademie regisseur Margien Rogaar.


Een paar jaar geleden op een Dag van het Scenario, zei Van Marle het al: “Ik vind alles leuk”. En dat geldt nog steeds, zegt hij. “Alleen heel zwaar realistisch drama ligt me niet zo. Films over mensen die doodgaan of die het vreselijk hebben. Ik vind het leven zelf niet zo vreselijk. Ik zie wel vreselijke dingen, maar ik heb niet het idee dat ik daar wat over moet vertellen.”
Want dat Van Marle in hoog tempo scripts aflevert, is mede het gevolg van zijn juist heel vredige bestaan in Castricum, dichtbij de zee, wil hij maar zeggen. “Ik geniet van schrijven en heb ook weinig andere interesses dan dat. Ik ben erg op mijn familie gericht, ik doe niet aan voetbal, ik kijk niet naar sport, ik drink geen alcohol en ik hou ook niet zo van feestjes. Daarnaast verveel ik me snel, dus ik vind het al gauw leuk om ergens mijn tanden in te zetten.”

Drie schermen
De werkdag van Van Marle begint om half negen, als de kinderen naar school zijn vertrokken. In zijn werkkamer staat niet één, maar twee en soms zelfs drie computerschermen. Eén heel oude, waar Final Draft op zit en die verder ook niets aankan, een tweede voor internet, en in de herschrijffase heeft hij vaak nog een derde scherm openstaan om makkelijk te kunnen scrollen door aantekeningen van een dramaturg of regisseur. Soms liggen er ook nog geprinte aantekeningen op tafel. Eenmaal achter zijn bureau surft Van Marle langs e-mail, Facebook en andere redenen om het werk nog even uit te stellen. Echt schrijven doet hij van ongeveer kwart over negen tot twaalf uur en dan in de middag van twee tot vijf uur of half zes.

Van Marle werkt aan allerlei projecten door elkaar heen, al blokt hij af en toe tien dagen in zijn agenda om een bepaald project naar een nieuwe fase te schrijven. “Van synopsis naar treatment of van treatment naar scenario. Dan bijt ik me vast in zo’n verhaal en dwing ik mezelf in een bepaalde sfeer te blijven.” Zonder al te lang te blijven puzzelen op onvolkomenheden stuurt hij het naar de regisseur of producent, “zodat we snel kunnen praten en pijnpunten benoemen. Je moet niet te veel lijden, is mijn motto. Natuurlijk kloppen honderd dingen dan nog niet, maar uiteindelijk gaan we toch allemaal lezen wat ik heb geschreven, dus dat doe ik liever een vroeg stadium. Het levert een aantal dingen op: dat je zelf minder piekert, dat mensen meer betrokken worden en dat je een veel sterkere band krijgt tussen het script en regisseur en producent.
Ik geloof heel erg in het versterken van elkaars talenten en daarop durven vertrouwen. Mijn specialisme is schrijven, dat kan ik, en ik ga ervan uit dat de mensen met wie ik samenwerk zo gepassioneerd, gedreven of intelligent zullen zijn dat ze begrijpen wat de bedoeling is. Ik ben ook nooit op sets. Mijn bemoeienis houdt op bij de draaiversie – behalve als een scène anders moet omdat er praktische kwesties zijn. Maar als je een script zo intensief samen ontwikkelt als ik eigenlijk altijd doe, leidt dat zelden tot complicaties.

Of ik zelf zou willen regisseren? Ik ben daar gek! Het is heel zwaar en intensief. Gedoe. Je ziet je gezin nooit. Het regent ook vaak. Ik kan heerlijk een paar films per jaar tikken en eet elke middag lekker een boterhammetje met de kinderen. Als regisseur ben je een paar jaar van je leven kwijt aan een film.”

Ratio regeert
De fondsen en omroepen zouden ook weleens op een wat nuchterder manier mogen kijken naar scenaristen als specialisten, vindt Van Marle. “Wij zijn gewoon hardwerkende vakmensen die onze kwaliteiten ook vaktechnisch kunnen inzetten.  Als het in Nederland gaat over buitenlandse makers van drama, wordt er wel op die manier over gesproken. Maar in Nederland worden schrijvers toch een beetje behandeld als gravende, getergde kunstenaars. Mensen die tot creativiteit komen doordat ze worstelen en lijden. Mensen - en dat is het probleem - die je niet helemaal serieus hoeft te nemen.”

En dan beland je in merkwaardige gesprekken. “Het is de laatste jaren mode geworden onder dramaturgen om te zeggen dat ze ‘het nog niet voelen’.  Dan kom je in een meeting en zit je tegenover een dramaturg of een producent, en dan krijg je te horen: ‘Ik vóel het nog niet helemaal’. Dan denk ik: zijn die mensen dan gevoelsarm? Ik voel de hele dag dingen! Het is totaal onbestemd. Je kunt het in dramaturgie niet hebben over voelen, maar je moet analyseren waar op een bepaald punt misschien verbetering mogelijk is om een bepaald doel te bereiken.
Daar komt bij dat ze aan de ene kant alles willen voelen, maar aan de andere kant ook alles willen begrijpen. Terwijl dat niet altijd hoeft om iets te voelen. Verwarring is soms honderd keer mooier dan totaal begrip.”

Zelf hekelt hij die neiging in Nederland om alles te willen begrijpen. “Als je lang schrijft merk je dat je altijd op dezelfde discussie uitkomt. Ik geloof dat film vooral emotie is, maar in de Nederlandse filmwereld regeert de ratio, alles moet waar zijn en begrijpelijk. Research is daar een handvat voor, koddig vind ik dat. Who cares about waarheid? Als mens voel ik heel veel en begrijp ik heel weinig, waarom zou je dat niet als filmmaker kunnen hebben?”  

Ritme
In de loop van de tijd is Van Marle steeds meer gaan schrijven op het ritme van het verhaal, zegt hij. “Dat stel ik soms boven karakterontwikkeling of plot. Neem bijvoorbeeld een beginsequentie: hoe introduceer je mensen, hoelang blijf je bij ze, wat zie je? Voor mij is dan belangrijk hoe scènes in elkaar overgaan, meer dan dat je precies alle informatie geeft die je zou kunnen geven. Dat is een keuze. Al is dat ook maar een soort gevoel hè.”

Humor (in de werkkamer wordt veelvuldig gelachen om eigen grappen) en een light-aanpak zijn Van Marles handelsmerk. Dat ligt voor de hand in commercieel werk, maar geldt ook voor films waarmee hij persoonlijk veel heeft zoals Rafael, over de Tunesische vluchteling die naar Nederland probeert te komen. “Ik kies niet voor extreem hard realistisch drama, maar probeer er een love story en avonturenfilm van te maken, al speelt die zich af tegen een achtergrond van ellende. Ik geloof in positiviteit. Ik denk dat met een lichter, meer toegankelijk verhaal, mensen meer geneigd zijn zich de situatie aan te trekken. Iedereen kan een stervend kind in zee laten zien, dat vindt ook iedereen erg. Maar het doet mensen niet genoeg om hun mening te veranderen of in beweging te komen. Veel makers van zwaar drama over de worstelende onderklasse, wonen trouwens zelf in prachtige huizen.”

Uiteindelijk doet iedereen maar wat en weet niemand waar hij het over heeft bij het maken van films, stelt Van Marle: “‘Nobody knows anything’, zei de beroemde scenarioschrijver William Goldman al. Je kunt met de beste bedoelingen een commerciële of artistieke film maken, maar hij lukt wel of niet, en er gaan mensen naartoe, of niet. Je weet het nooit. Ik had bijvoorbeeld niet verwacht dat Mees Kees zo’n succes zou zijn. Daar was ik echt verbaasd over. En dat naar mijn film Meesterspion, die ik erg goed gelukt vind, krap 100.000 bezoekers trok, vind ik echt jammer. Dan kan je zeggen dat het komt omdat er zes Amerikaanse jeugdfilms tegenover staan, of misschien hij is toch minder goed dan ik zelf vind.”

Een andere factor is mogelijk dat Meesterspion niet leunt op een bekende titel, zoals de Mees Kees en Dummie de mummie-films. “Ooit zei ik dat ik nooit boekverfilmingen zou doen, maar het is moeilijk om originele verhalen naar het doek te brengen. Dat probeer ik wel en het lukt soms, maar ik begrijp vanuit een investeerdersoogpunt heel goed waarom distributeurs en producenten graag boekbewerkingen doen. Dan heb je een basis waaruit je wellicht succes kunt halen. Zoals het boek van Paulien Cornelisse, of de liedjes van Doe Maar en Nick & Simon in De zevende hemel. En ik had het niet verwacht, maar ik vind werken met bronmateriaal eigenlijk hartstikke leuk.”


De zevende hemel
Het worden opnieuw spannende weken, want De zevende hemel draait vanaf 24 november in de bioscopen. Van Marle heeft hoge verwachtingen van de film, die hij schreef samen met Job Gosschalk, ook de regisseur. “Dat doe ik niet vaak, ik werk eigenlijk het liefst alleen. Dat is ook een reden dat ik niet zo vaak aan series meeschrijf. Ook met Job was het aanvankelijk moeizaam, omdat we beiden heel duidelijk voor ogen hadden hoe het moest worden. Maar op een gegeven moment zijn we samen gaan zitten, letterlijk, in een kamer tegenover elkaar. Ieder een scène doen, van elkaar lezen, herschrijven. Dat ging heel goed.”

Op de vraag wat Van Marles plannen zijn op de langere termijn, komt hij met een voor zo’n succesvol veelschrijver toch wel onverwacht antwoord: “Ik zou best over vijf jaar willen stoppen met schrijven. Maar ik ben nog te jong, ik heb nog te weinig geld en ik kan niets anders. Een strandtent openen in Castricum aan zee? En dan voor allemaal, ik weet niet wat voor mensen, zorgen? Nee, dank je, vreselijk! Maar schrijven is een zwaar vak. Sommige projecten wil ik heel graag maken, maar zijn na vier of vijf jaar nog steeds niet zover dat het ergens toe lijkt te leiden. Ik zou best zonder de frustratie en het verdriet willen die dat geeft. Maar zolang je schrijft heb je dat. En je moet het aankunnen om elke dag te horen te krijgen dat het beter kan – dat is ook zo - en dat ze het nog niet voelen.
Er zijn projecten die veel moeite en hartzeer kosten, in mijn geval de wat meer persoonlijke projecten die ik bijvoorbeeld met Margien Rogaar doe, en de makkelijker te financieren projecten waar ik heel veel plezier aan heb, zoals Mees Kees en Dummie de mummie. Ik heb echt de andere kant nodig, het snelle werken, de leuke mensen, de lichte plannen, om het zwaardere werk vol te houden. Je moet niet te veel lijden.”