20 september 2017

column

Door Kees Holierhoek

Lang leve de maker

Wie zijn de makers van een tv-spel, tv-serie of speelfilm? Tot voor kort was de wetgever daar niet echt duidelijk over. Het kon volgens de Auteurswet iedere natuurlijke persoon zijn die "een bijdrage van scheppend karakter" aan het audiovisuele werk leverde.

Die ruime formulering leverde in elk geval geen bijdrage aan het verminderen van de kans op oorlogen tussen troonpretendenten. Want wie naar buiten keek, kon de straatvechters over elkaar heen zien duikelen: schrijvers en regisseurs en hoofdrolspelers vooral en vergeet de producenten niet en soms voegden zich daar plotseling cameramensen bij en een enkele keer zelfs mensen van de catering. De kansen op oorlog floreerden en doen dat nog steeds.
 
Onder ons gezegd ging het in die gevechten natuurlijk om veel méér dan alleen de titel van maker. Het ging om geld en zeggenschap en niet door anderen gepasseerd worden in de publiciteit. En voor wie met name die financiële doelstelling ietwat platvloers vindt, wil ik het ook best zo formuleren: het ging misschien nog het meest om de waardering en het aanzien dat je door je beroep goed uit te oefenen kunt verwerven.
 
In de meest recente wijziging van de Auteurswet over filmwerken duiken soms tot iemands verrassing nadere aanduidingen op van personen die geacht worden maker te zijn en daardoor enige claim te hebben op een aandeel in het auteursrechtelijk gegronde geld dat soms uit de verschillende soorten exploitaties van een filmwerk vloeit. De aandacht van de wetgever gaat daarbij in concreto uit naar de scenarioschrijver en de regisseur, met daarnaast (maar anders) de hoofdrolspeler. Aan deze functies zijn vergoedingsaanspraken verbonden. Soms gaat het om een proportionele billijke vergoeding, soms om een 'gewone' billijke vergoeding. Maar ingewikkeld is het altijd en daardoor lijkt mij waar mogelijk dringend hulp gewenst. Dat heb ik altijd al gevonden en zeker zo lang als ik voorzitter ben van de Stichting Contractenbureau.
 
Vanuit mijn directe en langdurige waarneming als voorzitter van genoemde stichting, ooit jarenlang onderhandelaar met de NOS over de oude Honorariumregeling, durf ik wel met de hand op mijn hart te stellen dat er opvallend veel geleden wordt in audiovisuele kringen. Niet veel producenten noch makers zullen beschikken over een diepgaande kennis van het nieuwe auteursrecht inzake filmwerken en dat was met het oude filmrecht niet veel beter. Beide groepen betrokkenen, producenten en makers, zullen op bijna natuurlijke wijze ernstig behoefte hebben aan juridische steun.

Daarnaast leven er, geheel apart lijkt het wel, de oude gewoontes, de krokodillen uit het bosmoeras, die een geheel eigen leven leiden en met geen slagzwaard dood zijn te slaan. Dat betreft vaak ingeroeste methodes om van lastige scenarioschrijvers af te komen. En ook doorzichtige acties om reducties in productiekosten tot stand te brengen die na afloop van de opnames geheel te eigen bate uitwerken. Vergeet ook niet de soms overdreven voorstellingen die er bestaan van de betekenis van een naamsvermelding en de achteloosheid die je soms meemaakt wanneer een naamsvermelding wél dringend geboden is.
 
Er wordt vaak geleefd en gewerkt alsof wat de wetgever zegt volkomen onbelangrijk is en er niet toe doet. Belangrijke contractuele afspraken worden genegeerd alsof dat vanaf het begin van de schepping door God zo bedoeld is. Toen ik een jaar lang de leiding had over een twintigtal juristen van de Vereniging voor Auteursrecht (VvA), die zich over een nieuwe filmregeling boog, merkte ik dat aanwezige vertegenwoordigers van producenten binnen vijftien tellen na het opperen van een voor schrijvers gunstige regeling dezelfde regeling maar met tegengestelde werking uit de duim zogen, klaar voor gebruik. Op die manier wordt de creatie van nieuwe schrijversrechten vooral een broedvijver voor uitgevers en producenten, die de vindingen graag met een kleine wijziging overnemen.