31 januari 2018

achter de schermen

Door Mirjam Groen

Een scenario als een liedje van anderhalf uur

Theo Nijland schreef het zwierige scenario van Het leven is vurrukkulluk, naar het meer dan vijftig jaar oude boek van Remco Campert. De 63-jarige componist, schrijver en theatermaker vertelt over de drastische ingrepen die hij deed en zijn haat-liefdeverhouding met deze sfeertekening van het begin van de swinging sixties.

In het boek uit 1961 ontmoeten de vrienden Mees en Boelie het jonge meisje Panda in het Vondelpark. Mees probeert haar te versieren, Boelie beleeft een avontuur met de vrouw van zijn vriend Ernst-Jan, terwijl ook de romanpersonages Rosa en Kees uit het beroemde boek Kees de jongen elkaar na vele jaren eindelijk weer ontmoeten.

Panda, Boelie en Mees geven een wild feest, waar een dronken Mees, na het zien van een jongen die met een paraplu als valscherm uit het raam springt, overvallen wordt door een gelukzalig gevoel. Het is een verhaal over uitgestelde volwassenheid, je afzetten tegen de burgerlijkheid en het vaak helemaal niet zo verrukkelijke leven.
 
Regisseur Frans Weisz, die bevriend was met Remco Campert en in het boek zijn eigen jeugd in Amsterdam terugzag, wilde het destijds meteen verfilmen. Dat lukte niet direct en het project kwam op de plank te liggen. Een jaar of twintig geleden klopte Weisz bij Theo Nijland aan met de vraag of hij zich aan het filmscenario wilde wagen. “Ik heb ooit ‘Kees de jongen, de musical’ geschreven, maar die ging uiteindelijk niet in productie”, vertelt Nijland in Café Americain in Amsterdam, een iconische plek die door Campert zelf destijds veelvuldig werd bezocht en ook in de film voorkomt.

“Kees Bakels wordt in het boekje van Campert als oude man opgevoerd, vandaar dat Frans bij mij aanklopte. Ik was alleen nog zo gehecht aan die musical en zo teleurgesteld, dat ik het boekje in een hoek heb gesmeten. Het is een aardig tijdsbeeld, maar als iemand specifiek vraagt of je er iets mee kunt, ga je heel anders lezen. Ik vond het een boek van niks, helemaal niet leuk. Ik dacht: Kees de Jongen als tachtigjarige, rot op!”

Jaren gingen voorbij, tot producent Matthijs van Heijningen een jaar of vier geleden belde of Nijland nog eens naar het boek wilde kijken, want een eerdere scenarist kwam er niet uit. “Toen las ik het nog een keer en had ik wél een klik. Misschien omdat ik net Mad Men had gezien, ook gesitueerd in die rare jaren-zestigtijd. Een boek of film kan in een andere tijd of een andere context ineens heel anders overkomen. Het ligt er maar aan op welk moment je iets tot je neemt. Inmiddels vind ik Kees Bakels als oude man wel een grappig beeld.”
 
Het schijnt een valkuil te zijn als je als scenarist te veel eerbied hebt voor een veelgelezen boek, omdat je dan niet de drastische beslissingen durft te nemen die een filmversie nodig heeft. Daar had Theo Nijland, die van Campert carte blanche kreeg bij het bewerken van zijn roman, in ieder geval geen last van. Een film die zich volledig in de jaren zestig afspeelt leek hem saai. “Dat is meteen zo nostalgisch: ‘Kijk eens wat een mooie kapsels en leuke kleren, wat een gekke schoenen’. Het gaat om de karakters van de hoofdrolspelers, niet om de kleding die ze dragen. Toen kreeg ik het idee om twee tijden over elkaar heen te leggen. Het is een poëtisch gegeven: mensen van toen lopen in het nu rond, maar zijn zo met zichzelf en hun kater bezig dat ze dat amper opmerken. Matthijs vond het meteen een heel goed idee, maar het was natuurlijk ook omstreden.
 
Ik was er echter van overtuigd dat kijkers het zouden accepteren. Ik heb de tijdsaanduidingen in het scenario uiteindelijk ook gewoon weggehaald, dat leidde minder af, uit de beschrijving bleek vanzelf wel wat de bedoeling was. Uit de vorm die ik bedacht had, kwam natuurlijk automatisch ook commentaar op deze tijd voort. Maar het moest niet te hilarisch of een persiflage op bakfietsmoeders worden.”
 
In het boek spelen de gebeurtenissen zich binnen 24 uur af, maar Nijland wilde buiten die ene dag om. Hij verzon een proloog in zwart-wit, waarin de personages worden geïntroduceerd en de onderlinge verhoudingen meteen op scherp staan. “Ik vond het erg belangrijk dat in de beginscène vaart zat. Ik had een soort hoorspel gemaakt, op muziek. Het was belangrijk dat alles daarin zat, om een beeld te geven: klokgelui, onweer, trams. Ik heb me daar echt hard voor gemaakt dat dat zo zou blijven.”
 
Nijland vindt het leuk om te schuiven met feiten en die een ander personage in de schoenen te schuiven. Zo gaf hij de alcoholistische moeder van Etta aan Boelie en is Etta de minnares van zowel Mees als Boelie, die door haar ontmaagd wordt en zijn moeder eindelijk de waarheid zegt. Het personage Tjeerd Overbeek, die in het boek fulmineert tegen zijn hedonistische leeftijdsgenoten, schrapte Nijland uit het scenario. “Die vond ik saai, een heel braaf jongetje, ik had niks met hem.”
 
Seksjuweel
 
Nijland las het boek een aantal keer door en merkte dat maar weinig dialogen bruikbaar waren. “Het is een literair boekje dus mensen praten veel, over van alles, zonder echte actie. Maar in een film moet wel wat gebeuren vind ik.” Het spelen met woorden nam hij ook niet van Campert over, die marihuana spelde als ‘Marie-Johanna’ of ‘Marry-you-Anna’ en seksueel als ‘seksjuweel’. “Destijds was dat leuk, nog niemand had het gedaan, maar nu is het gedateerd. Het is misschien leuk om te lezen, maar niet om te zeggen.”
 
Hij gaf sommige personages meer achtergrond om hun gedrag te verklaren. “Ik heb Mees bijvoorbeeld ouders gegeven die klassiek muzikant zijn. Daardoor begrijp je hem ineens veel beter: het is gewoon een ontzettend verwende jongen. Hij moest het ook meteen in de eerste scène uitmaken met Etta, een ouder iemand, uit verveling. Maar zijn kwetsbare kant is dat hij verliefd wordt op Panda, en zij niet op hem.”
 
De personages in Het leven is vurrukkulluk komen nogal egocentrisch en soms ronduit onsympathiek over. In het boek beroven de drie bijvoorbeeld Kees Bakels van zijn laatste geld, om dat vervolgens uit te geven aan drank. Met vervelende personages heeft Nijland geen moeite, maar dit vond hij toch te ver gaan. “Iemand mag heel onsympathiek zijn, maar op de een of andere manier vond ik dat bestelen van Kees heel vervelend. Daarnaast wilde ik niet dat ze geld uitgaven, omdat ze toch niet helemaal deel uitmaken van de moderne wereld. Het sympathieke en onsympathieke is in het scenario uiteindelijk wel in balans, denk ik.”
 
Van Panda weet zowel de lezer als de filmkijker heel weinig, behalve dat ze jong is en weggelopen uit een weeshuis. In het boek is ze zelfs pas vijftien, terwijl Boelie en Mees midden twintig zijn en zich als roofdieren op haar storten. Was dat nog een struikelblok bij het schrijven van het scenario, gezien de huidige kijk op dit soort verhoudingen? “In de tijd dat Campert het boek schreef bestond het hele beeld van minderjarigheid niet”, stelt Nijland. “De leeftijd van Panda wordt niet expliciet genoemd in de film. Ze lijkt iets ouder en de jongens zijn iets jonger, rond de twintig. Deze jongens misbruiken in ieder geval hun macht niet. Panda bepaalt wat er gebeurt en Mees loopt als een hondje achter haar aan. Boelie is veel serieuzer en ook gewoon aan het werk. Wat ik in ieder geval wel heel leuk vond, is dat mensen in die tijd onbekommerd rookten en seks hadden – inclusief schaamhaar.”
 
Kees en Rosa
 
Het leven is vurrukkulluk is geen romkom; Mees en Panda krijgen elkaar aan het einde niet. Maar Nijland wilde wel dat in ieder geval één stel gelukkig werd: Kees en Rosa. “Die lopen al zo lang te dolen in de geschiedenis, laat die elkaar maar kussen op een brug.” Net als in het boek is Rosa toiletdame, die van haar openbare toiletruimte een curieus soort huiskamer heeft gemaakt. Nijland bedacht dat het een plek was waar romanpersonages naar de wc moeten. “Dus komt Dreverhaven uit Karakter uit het wc-hokje, alsof die dagelijks even bij Rosa komt hangen. En Panda’s bezoek aan Rosa geeft Boelie dan weer een idee voor zijn musical.”
 
“Je kunt je afvragen waar de film in godsnaam over gaat”, zegt Nijland op een gegeven moment. “Ik weet het eigenlijk niet. Het is heel leuk om je daar niet zoveel mee bezig te houden, dan kom je er tijdens het schrijven vanzelf wel achter. Het boek is een mooie sfeertekening van de jeugd die begin jaren zestig opgroeit en ruikt aan een nieuwe tijd, weg van de burgerlijkheid. Het is heel fladderig en fluïde allemaal, maar dat is ook de essentie van het boek. En omdat het genre ook niet helemaal duidelijk is, kun je zeggen dat het een soort coming of age is – op iets latere leeftijd (lacht).”
 
Nijland, die ook de muziek voor de film componeerde, lette bij het schrijven goed op of het tempo en het ritme van de scènes klopte en hij was blij dat die uiteindelijk niet veel langer zijn geworden dan hij ze schreef. “Ik bekijk een scenario als een liedtekst, op een heel muzikale manier. Ik schrijf natuurlijk liedjes, en een scenario is eigenlijk ook een liedje – een heel lang liedje, van anderhalf uur. Op een scenario moet je veel puzzelen, maar op een lied puzzel je ook, en mijn liedjes zijn ook niet eenduidig en het zijn vaak beeldende teksten.”
 
In de film gaan Mees en Panda samen in het Concertgebouw kijken naar een optreden van Mees’ ouders, die de Vijfde symfonie van Mahler spelen. “Ik was heel erg voorstander van die Vijfde van Mahler, omdat het veel over Mees zegt, maar omdat het verhaal daar ook even wat adem krijgt. En daarna brengt Panda Kees en Rosa samen. Wat het betekent weet ik niet precies, maar Panda heeft iets gevoeld van harmonie tussen mensen, ze wordt aangeraakt door iets groters.”
 
Opstijgende moeder
 
Een scenario als een lied dus, waarbij de schrijver zichzelf veel vrijheid veroorloofde om het verhaal naar zijn eigen hand te zetten en personages te veranderen of te elimineren. Wie wel gebleven is, is de parapluman uit de eindscène van het boek. “Aanvankelijk liet ik hem vaker terugkomen”, legt Nijland uit, “als een soort Magritte-figuur, maar nu zit hij alleen nog aan het einde. Ik liet ook Boelie’s moeder van het balkon springen, maar dan zonder paraplu, en dat ze dan als een dooie vogel in het gras zou liggen. Maar zo’n film is het niet, al vind ik het zelf nog steeds mooi. Dus dan moest ze maar opstijgen; weg gaat ze wel. En Boelie gaat het huis uit. Het is het begin van het einde voor haar, wat moet ze daar nog? Haar leven is eigenlijk gewoon klaar.” 
 
Het boek eindigt bij het feest met de parapluman, maar Nijland vond dat in zijn filmversie nog een grootse eindscène ontbrak. “Die speelde zich aanvankelijk af op een heel groot podium op het Museumplein, in een Uitmarktachtige setting met een enorme bigband. Dan liepen de personages over het plein, langs de ‘I Amsterdam’-letters, langs de cateringwagen, langs de make-upwagen, waar je Etta zich zag afschminken. Je stapte af en toe uit het verhaal en ook mensen in het nu, setmedewerkers, werden geïnterviewd over hun aandeel in de film.

Op dat spoor hebben we even gezeten, maar opeens verveelde me dat; het was te veel een hoekje om, te afstandelijk, ik wilde toch bij de personages blijven. Je hebt maar één dag om die mensen te leren kennen en op die manier werd het een grote grap. En het was veel te duur natuurlijk. Wel jammer, want het was mooi geweest als ik het veel groter had kunnen trekken en uiteindelijk heel Amsterdam aan het dansen had gekregen.”


Het leven is vurrukkulluk draait sinds 25 januari in Nederlandse bioscopen.

Foto Theo Nijland: Ben van Duin

,